Posts tonen met het label bespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bespreking. Alle posts tonen

zaterdag 8 februari 2014

Tauberbach: rauwe liefde op een vuilnisbelt

Het doek gaat op. Het toneel ligt vol gekleurde kleding. Daarin liggen verborgen vijf dansers van het gezelschap van Alain Platel, les ballets C de la B. In de lucht zoemen vliegen, ze zullen daarmee het hele stuk niet ophouden. Het podium is een vuilnisbelt waarin een schizofrene vrouw woont, eet, leeft en worstelt met een stem in haar hoofd.

De vrouw is gemodelleerd naar Estamira, een vrouw die leeft op een vuilnisbelt bij Rio de Janeiro. Ze wordt gespeeld door Elsie de Brauw. De Brauw neemt letterlijk de woorden en intonatie over die de echte Estamira gebruikt in een poëtische en indringende documentaire van Marcos Prado.

Het is hellish, zegt De Brauw hard aan het begin van de voorstelling en vervolgens I like it. We eten hier beter dan in een restaurant, zegt ze. Als je het goed kan bereiden, roept haar stem in de lucht over het toneel. Die stem is irritant, dwars en soms grappig. Hoewel een stem in je hoofd natuurlijk nooit vermakelijk is.

De dansers leven hun leven om de vrouw heen. Als zij brult van wanhoop dan houden ze haar voor de gek. Ook dat lijkt grappig. Het zou misschien ook grappend relativerend kunnen zijn, maar als de vrouw geschopt wordt blijft die optimische visie niet overeind. Het is een woeste vuilnisbelt en I like it vervliegt er met de dampende gassen uit de grond; 'er zijn mensen die er niet tegen kunnen'. Mooi en lelijk trekken continu met elkaar op.

Kleding gaat uit en aan. Een van de dansers pakt een panty van het toneel en trekt hem over zijn hoofd. Een groene doek wordt opgerold en de danser is een soldaat die koprollend over het toneel gaat met zijn nepgeweer voor zich uit. Dan maakt hij er een speer van. De punt klapt om als hij een aanloop neemt om hem weg te werpen. Een mooi beeld; de machoman blijft met een geknakt wapen zitten. Voor alles is echter een oplossing; de doek gaat opgerold als handgranaat het publiek in.

Als de dansers in een groepje bij elkaar gaan zitten of liggen dan vormen ze een koortje. Ze zingen zacht en tastbaar. Niet rauw, maar mooi. De muziek van Bach wordt alleen aan het slot aangetast door het koor van doven. Zij laten juist door hun volslagen vreemde manier van zingen de schoonheid van de hemelse muziek eronder bovenkomen.

Daar waar ik ongemakkelijk van werd was een seks scene vooraan op het podium. De vrouw met haar hand in de onderbroek van de man die verder naakt is. De muziek is romantisch. Wat er gebeurd is heftig de liefde bedrijven in dans. De man blijft er niet onbewogen onder zie je - ook vanaf de derde galerij achter - aan zijn naar voren gespannen onderbroek.

Seks op de vuilmisbelt? Ik kan me er niet zoveel bij voorstellen. Zou ook in die armoedige situatie seks in de vorm van een spel zo belangrijk zijn? Na het zien van de documentaire is die twijfel verdwenen. Maar zo openlijk uitbundig? De vuilmisbelt van lompen is geen vuilnisbelt, maar een metafoor. Een metafoor voor wat? Het lelijke van de wereld, met die prachtige muziek van Bach en tedere en speelse seks als tegenpool? Ik kom er niet uit.

Een van de mooiste dansen uit de voorstelling kreeg een daverend applaus. Dat kwam al tijdens de opvoering, alsof het een solo binnen een stuk jazz was. Het ging om een danser die uit zijn rol stapte en geluidskunstenaar werd. Zijn stem begon met het gezoem van een vlieg en allengs ging het meer lijken op de ratelende stem van een veilingmeester die met zijn vinger priemde naar plekken in de zaal. Het was de toon waarop de echte Estamira haar scheldcanonades de wereld inslingert. De woorden gingen over in een dans met zang die gezongen werd als op een LP die te snel en dan weer te langzaam draait. De dans volgde dat tempo.

Helemaal aan het eind stapte ook De Brauw uit haar rol. Van toneelspeelster veranderde ze in een danseres. Het werd een daverend stuk van vreugde die er door muziek en bewegingen in werd geblazen. Maar vlak voor het einde viel alles stil - alsof na het feesten de toekomst niet zeker was - tot ook hier het applaus uit de zaal die stilte verbrak.


woensdag 6 november 2013

Dansvoorstelling over 'fucking war'


Het loopt goed af. Dat wordt gemeld aan het begin van de voorstelling: Sun. Sun wordt gedanst door het Engelse gezeldschap de Hofesh Schechter Company. Deze staat onder leiding van de Israëlische choreograaf Schechter.

Het podium is zwart. De lichten zijn uit. De stem die ons, het publiek, geruststelt, klinkt in het donker. Dan komt een fragment vrolijke dans in witte kleuren op een helverlicht toneel. Daarna weer donker. Licht, donker, rook en schaduwen wisselen elkaar tijdens de dans voortdurend af.

Sun begint met kanonsschoten. Of was eigenlijk al begonnen met die geruststellende mededeling. De choreografie heeft een duidelijke structuur. Vrolijke dans, gevolgd door dreiging, ijselijk geschreeuw en dan weer verder alsof er niets aan de hand is.

Een schaap wordt gepakt door een wolf. Een 'inboorling' vermoord door karikaturale koloniaal met geweer. Vrouwen worden in een oogwenk veranderd in geile wezens, madonna's en tankgirls. Een man wordt op het podium in elkaar gemept. Maar als het indringende aftuigen afgelopen is, maken zowel daders als slachtoffer een buiging. Ik ben opgelucht: het was maar een toneelstukje. Even had ik niet door dat het dat al was.

De ceremoniemeester die de dansers begeleidt en opzweept, wordt daarna generaal. Soldaten marcheren naar hun einde, rennen weer terug en beginnen weer als soldaat. Oorlog en vrede lopen door elkaar heen. Het dagelijkse leven gaat ook tijdens vreselijke gebeurtenissen door alsof er niets aan de hand is. De oorlog en het geweld is een geaccepteerd deel van het leven. Zo lijkt het. Zeker in een choreografie van een Israeliër een indringend gegeven. In de zaal lachen desondanks mensen op de meest ongepaste momenten. Om hun ongemak weg te lachen of omdat ze niet (willen) zien wat er gebeurt.

Aan het einde van de voorstelling ben ik weer volledig meegenomen. Een man en een vrouw beelden met gebaren het leven uit. Als de andere dansers weer op het podium komen, merk ik dat ik de hele groep vergeten was. Even was door die twee de voorstelling sierlijk. Geen Afrikaanse ritmes met stampende danspassen, geen gemarcheer op marsmuziek, maar elegantie. Ook al is het maar een klein beetje. Dat mis ik in de voorstelling: de sierlijkheid van dans. Had het er maar heel even in gezeten. Het had de dans comfortabeler gemaakt.

De handout bij de voorstelling haalt The Australian aan. Die krant ziet als thema van de voorstelling slechts: lammeren die naar de slachtbank gaan. Toch zie ik een man die zijn schaap weggooit; er duidelijk afstand van neemt. Met andere woorden in verzet komt. Hij schreeuwt over de fucking war. De voorstelling is anti-oorlog, en maakt de zaken niet mooier dan ze zijn.

zondag 24 februari 2013

Puz/zle, dansvoorstelling met uitleg

Fluitist Kazunari Abe loopt steeds met zijn bamboefluit het toneel op. Als hij blaast dan gebeurt er wat. Het is alsof hij het verhaal van Puz/zle met zijn ijle klanken bij elkaar houdt. Puzz/zle is een choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui.


Het was een feestje niet alleen het kijken en luisteren. De voorstelling kreeg ik kado voor mijn verjaardag. Het was ook een feestje omdat het enorm mooi en ontroerend was en de narigheid niet verdoezeld werd. Als Kuzunari op zijn fluit blaast, tuimelt een man in een put. De overige tien dansers gooien met kracht stenen naar hem. Je kan niet anders dan afkeer hebben van een steniging. Puz/zle blijft daar niet hangen. De man komt – meer dood dan levend – zijn put uit. Hij legt met alles wat in hem is de stenen netjes op een rij en betrekt de andere dansers. Die nemen in iedere hand een steen en vormen samen een vloeiend lijnenspel. Even later slaan ze de stenen op de maat van de muziek tegen elkaar. Verbinden daar is het Larbi om te doen. Dat blijkt hier, maar ook elders in de voorstelling.

Kronkelende slangen

Voor de uitvoering gaf een musicoloog en danskenner uitleg over het stuk. Hij had het over folkloristische elementen in de muziek. Misschien is het daardoor dat ik in de tegen elkaar slaande stenen stampende klompen hoor. De deskundige liet de muziek zien door zijn armen als slangen om elkaar te laten kronkelen in een horizontale beweging. Deze beweging kwam ook herhaaldelijk terug in die van de dansers op de muziek van fluit en zang. Die zang kwam van zes mannen van de Corsicaanse polyfone zanggroep A Filetta en de Libanese zangeres Fadia Tomb el-Hage. De beweging van de muziek contrasteerde volgens de musicoloog met de hardheid van de steen die een centrale rol speelde in de voorstelling.

Steengroeve

Het verhaal is even groots als simpel. De oorsprong ligt in een steengroeve. Waar zijn alle stenen gebleven? Wat is er mee gemaakt? Kunnen we ze terug puzzelen? Met die stenen is gestenigd, is een Griekse tempel gebouwd, een stad, gevangenis, kerk, moskee of museum als je wilt. Het bouwen geeft structuur aan de voorstelling. De groep danst het gebouw in en weer uit elkaar. Vooral dat laatste is vaak spectaculair als een meer dan manshoog stenen gebouw instort of omver wordt geworpen met daarop of onder nog een danser. Uit de stenen zijn ook beelden gehouwen, wat tot de meest komische scenes leidt als dansers als beelden worden verbeiteld en steen spuwen en weer inslikken. Dansers, steenhouwers en beelden gaan, kortom, in elkaar over.



Binnen die structuur van bouwen en breken gaat het over het leven. Het leven van mensen uitgebeeld in indringende solo's of duetten omgeven door de prachtige zang, de fluit en soms Japans slagwerk. Het gaat ook over het leven in de meest elementaire vorm. De bewegingen van cellen en chromosomen die we kennen van filmpjes. Dat laatste vertelde Nienke Reehorst na afloop in een korte toelichting op de voorstelling. Nienke heeft artistiek een grote inbreng in de choreografie en voorstelling. De van pijn vertrokken bewegingen die ik in het begin had gezien, waren dus bedoeld als uitbeelding van het leven op microniveau. Fout gezien? Nee. Abstractie is de dans eigen en dat hij multi-interpretabel is, geeft hem juist kracht.

Geweld

Kort voor het einde van de anderhalf uur durende voorstelling stond de dansgroep grafitti te spuiten op een muur. Er was sprake van een gemilitariseerde situatie; op de tekening verschenen helikopters en geschut. Schoten (door Japans slagwerk) klonken plotseling. De jongeren met hun spuitbusjes vielen een voor een neer. De op de grond liggende lichamen deden denken aan een beeld uit de Eerste Wereldoorlog. Maar door de muur en de jongeren kon ik ook niet om Israël en de Palestijnen heen. Narigheid werd ook hier bewust naar binnen gehaald en van commentaar voorzien.

Corsica

Grafitti en ook de breekdance zijn een volwaardig onderdeel binnen de voorstelling. Een duet tussen een man en een vrouw speelt zich af als een luchtgevecht uit een Chinese vechtfilm. Man en vrouw bevechten elkaar als zijn ze met touwen gebonden. Een ander ziet er mogelijk een gevecht tussen Harry Potter en Voldemort in. De vrouw die voor me zat en die ik later in de trein naar huis spreek, zag beelden uit een fantasy kindertekenfilm. Jeugdcultuur is volledig opgenomen in Lardi's stuk.

De vrouw die ik spreek, is een Corsica kenner. Ze geeft me de derde uitleg van de avond en maakt me enthousiast voor het eiland en zijn tradities. Zelf studeert ze Corsicaans. Ze weet te vertellen dat de fluitist optrad tijdens een jaarlijks muziekfestival op het eiland en zo ook voor deze opvoering is gevonden. Ze raadt me aan naar een voorstelling de Waalse kerk te gaan op 2 maart voor Cunfraterna di a Pieve di a Serra gezongen door Canti Sacri.

Versnipperd

Klaar met schrijven zoek ik bewegende beelden als illustratie bij dit blog. Dan kom het filmpje (te vinden op site onder link) weer boven waardoor ik naar Puz/zle wilde gaan. Larbi zegt daarin dat de voorstelling gaat over het puzzelen met de verschillende elementen in de voorstelling (zang, dans, theater, publiek) en de losse stukjes uit het leven en het gebrek aan verbanden tussen mensen. Het lijkt alsof alles versnipperd is en hij wil dit heel maken. Larbi: “Zolang je de puzzel wil blijven uitleggen, ben ik tevreden. Kunst heeft niet alle antwoorden, maar houdt je wel alert. Leven is zoeken en niet alleen weten.” Het is een overdonderend en geslaagd project.

zaterdag 19 maart 2011

Onmetelijke rijkdom

“Ik bleef doorrennen tot ik niets meer kon zien. Mijn razernij en afgrijzen hadden mijn ogen verschroeid.”


Dit waanzinnige tempo van woorden, waarbij je nauwelijks adem kan halen, wordt volgehouden in het hele boek ‘Onmetelijke rijkdom’ van Ben Okri. De titel geldt niet alleen de inhoud, maar wat mij betreft ook het kunstwerk zelf. Het boek zindert van het geweld, chaos, de kracht van geesten en demonen, herinneringen en politieke meningen. Je wordt meegezogen in een andere wereld. Daarom breng ik het ruim tien jaar nadat het verschenen is nog even onder de aandacht van hen die het gemist hebben en wel zouden willen lezen.


Soms staat er opeens een kernachtige zin, die je even uit de stroom haalt en op de kant zet, waarna je weer in de rivier van voorbij razende gedachten en gebeurtenissen wordt gestort om mee te drijven, tegen stenen te botsen en onder water te worden gesleurd. Dit boek beschrijft niet het magische en mystieke Afrika, waar missionarissen en zendelingen op stuk liepen, het is er onderdeel van. Het is wel bijzonder dat je deze ervaring voor een paar euro kan kopen bij de Slegte of lenen in de bibliotheek. Toch, of juist door de magie, kon ik de eerste pagina’s maar moeilijk verteren. Het was wennen aan die andere wereld, maar dat duurt maar even als je er instapt.

Voor mijn kinderen heb ik ‘Geheimen van het Wilde Woud’ voorgelezen, het vervolg op de ‘Brief aan de koning’ van Tonke Dragt. In dat boek komt een dronkaard voor die met zoveel verve van zijn ongelofelijke avonturen kan vertellen dat het een lust is om voor te lezen. Maar die woorden zijn kinderspel vergeleken bij deze stroom van woorden. O wat zou ik dit graag voorlezen: de waanzin, de lust, de woede het mysterie. Het moet je mond uitvloeien als dikke olie uit de grond, dan weer hard en dan weer zacht, spuitend en stromend.

Het is ook een boek over de identiteit van Afrika. “En voor het eerst begon ik de geschiedenis te zien als een droom die wordt herschreven door degenen die weten hoe ze de informatie van het geheugen kunnen veranderen. Ik begon de geschiedenis te zien als een verzinsel, als een schaduwrealiteit, een realiteit die wij nooit als zodanig hebben ervaren. Wie leidt onze levens voor ons?” En even later, na rellen tegen politici die beloven wat ze niet doen en wel toezeggen wat ze niet zullen doen en de werkelijkheid van de straat verdraaien om er zelf beter uit te springen: “We begonnen ons af te vragen of onze razernij van invloed was op ook maar één enkele schaduw in de harde wereld die als de geschiedenis herschreven werd.” Over het Afrika van wie lezen wij eigenlijk? De geschiedenis werd gemaakt in “de enige taal die iedereen begrijpt - de taal van het geweld.”

Het is ook een boek over de onmetelijke rijkdom die wordt geroofd door een samenspel tussen corrupte politici, pers en gluiperds en de blanke. “Hij rookte een poosje zijn sigaret en nam met kalme ogen alles in zich op. Toen zei hij: ‘Ik heb een droom gehad. Een blanke man veranderde in een schildpad en vroeg me hem mijn land te geven. Hij had een geweer. Ik vocht met hem, en hij schoot me door mijn hoofd.’” En nog bondiger: “Ze maken Afrika kapot.”

De Britse Gouveneur-Generaal praat en droomt in mijn taal over Afrika. Zijn woorden zijn heel herkenbaar, ook al word je daar niet vrolijk van. Hij denkt iets van zijn omgeving niet mee te krijgen. Hij snapt inderdaad niets van de verhalen van insecten en geesten. Hij wil naar huis. Hij droomt over een weg waarlangs alle rijkdom afgevoerd kan worden, zonder aan de achterblijvers te denken.

Zwetend in zijn wijde katoenen hemd, maakt hij Afrika kapot in al zijn aspecten. Hij vernielt de taal, de traditie, de geschiedenis, de cultuur. Alles. “En terwijl hij in zijn grote kantoor zat met de foto van de Queen pal boven zijn hoofd, terwijl hij zijn lotsbestemming herschreef (de zijne rooskleuriger maakte, de onze zwartgalliger), haast de oude vrouw in het bos zich om onze ware, geheime geschiedenis te weven, een geschiedenis die gruwelijk en wonderschoon was, bloedig en komisch, labyrintisch, cirkelvormig, altijd veranderlijk, altijd verrassend (…).” Ik zou het hoofdstuk wel helemaal over willen schrijven, zo mooi, zo indringend, worden de gedachten van de Gouveneur-Generaal beschreven. Maar ook de stemmen die cirkelen in de lucht kunnen welsprekend zijn:

‘De blanken hebben onze kinderen tot slaven gemaakt.’
‘Op klaarlichte dag.’
‘En ze hebben ons volk laten zwoegen om hun koffie te zoeten.’
‘Zodat zij wegen konden bouwen die nooit hongerden.’
‘We hebben ze niet eens met de dood bedreigd.’
‘En zij zijn voor geen enkel gerecht gesleept, op de aarde noch in de hemel.’
‘Om zich tegenover God te verantwoorden voor hun misdaden.’
‘Daarom lijden wij nu.’
‘Op klaarlichte dag.’
‘Onze wegen hongeren wel.’
‘En onze geschiedenis weent.’
‘En onze toekomst is vol vraagtekens.’

De aanklacht gaat nog een halve pagina door. Zo direct, zo vol woede over geschiedenis, heden en toekomst dat het niet langs mij heen kan glijden. De woorden zijn een aanvulling - die niet misverstaan kan worden - op de hallucinerende teksten die de geslagen wonden beschrijven, maar ook op de taal van de geesten, het epische dialect van de bomen. Kortom hoe Okri Afrika heeft gevangen in woorden.

Op de achterflap staat : ‘Als Jeroen Bosch had kunnen schrijven zou hij onmetelijke rijkdom hebben geschreven.’ Het boek is inderdaad meer dan mooi, het is een monument.



Hoofdstuk 29: een flard nachtmuziek


Terwijl ik in de kamer zat verscheen er een prachtige gloed on me heen. Uit die omhullende gloed klonk een flard wonderschone muziek. Ik luisterde naar de puurheid van de muziek en zei heel zachtjes: ‘Ade ben jij dat?’

De geest van mijn dode vriend dook naast me op. Zijn glanzende witte hoed was het enige herkenningsteken en lichtpunt in die treurige duisternis.

‘Waarom breng je zulke liefelijke muziek mee terwijl er hier op aarde zoveel ellende heerst? Vroeg ik fluisterend.
‘Wees dankbaar voor de muziek,’ antwoorde hij.
Ik dacht na over zijn woorden. Ik hoorde een verkoelende wind over het land waaien. Ade zweeg. Zijn stilzwijgen maakte me opmerkzamer op de muziek.
‘Waarom verliezen we de hoogtepunten in ons leven?’ vroeg ik.
‘Om hoger of lager te kunnen gaan.’
‘Waarom verliezen we de mooiste dromen van ons leven?’
‘Omdat we vergeetachtig zijn.’
‘Hoe kunnen we die vergeetachtigheid tegengaan?’
‘Door onszelf te vernieuwen.’
‘Hoe dan?’
‘Door om de zeven jaar weer kind te worden.’
‘Zijn we gedoemd onze mooiste dromen te verliezen?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Om ze opnieuw te vinden.’
‘Hoe dan?’
‘Door te luisteren.’
‘Waarnaar?’
‘Naar de zielensmart of het gelach van de engelen.’
‘Waar?’
‘In onszelf.’

De muziek klonk nu zwakker. Hoe zwakker ze klonk, hoe mooier ze werd. Het was haast onverdraaglijk. De aanwezigheid van mijn vriend vervaagde. De gloed temperde. Hij liet me weer achter, op deze donkere plek, temidden van alle hardheden van de wereld.
Toen glimlachte hij en was verdwenen. Maar de muziek, waarvan de teerheid in de stilte bleef hangen, liet hij me behouden.”

donderdag 17 februari 2011

Biutiful

“Papa hoe schrijf je beautiful?”
“Zoals je het zegt.”

Het woord komt groot op een tekening te staan en is de titel van een film. Die film is mooi, maar ook rauw en hard en soms opzettelijk foeilelijk. Hij is gemaakt door Alejandro González Iñárritu die al eerder liet zien dat keiharde beelden toch prachtig kunnen zijn.



De hoofdpersoon is vader van twee kinderen in Barcelona, de ex van een manisch depressieve partner, hij bemiddelt in en voor illegalen, praat met de doden en is terminaal kanker patiënt. Het lijkt wat veel. De hoofdpersoon blijft er vreemd genoeg en heel knap wel sympathiek bij overkomen. Het verhaal overschreeuwt zichzelf als ook nog vijfentwintig chinezen door zijn schuld omkomen en de oproer politie met een buitengewoon heftige actie op de Ramblas Afrikaanse handelaars in prullaria te lijf gaat. Ook zonder overdrijving is het misbruik en uitbuiting duidelijk.

De film vertelt niet alleen een verhaal. De beelden zijn meer dan plaatjes. Ze hebben hun eigen kracht. Zoals bij Amores Perros, een eerdere film van Iñárritu, is de ongelikte sfeer voelbaar. Je knalt een wereld in die onplezierig is. De regisseur zoekt naar manieren om de mogelijkheden van het medium film uit te buiten. Zijn wijze van vertellen laat bijvoorbeeld heel indringend zien wat gekheid is. Die gekheid wordt met een camera weergegeven. Stress met beelden en geluid, het bijt zich naar binnen. De sferen waren wel overtuigend.

Overtuigend waren ook de acteurs. De volwassenen, maar ook de twee kinderen. De gekheid, het geweld, de ruzies werden soms afgewisseld met liefelijkheid aan de eettafel. Niet de dode Chinezen maar het pijnlijke urineren en de ellende in huislijke kring raakten me het hardst. Wederom een pracht film.

woensdag 2 februari 2011

Hout: lege platte zwartgalligheid


“Mand,”
het woord floept aan op een lichtbalk tegen de achtermuur van Zaal 1 van Frascati. Ik ben bij toneelstuk ‘Hout.’ Als ik deze bespreking weken later uitschrijf, lees ik op de website van de Toneelschuur in Haarlem waar het over gaat: de kracht van geloof in de ander en gedwongen participatie. Op het moment dat ik naar het stuk van Abke Haring ging, las ik ergens dat het ging over het bewaken van persoonlijke ruimte.

De spelers zijn drie mannen en een vrouw in ondergoed: bijna naakt en onaantrekkelijk. De zaal is van onderaf fel verlicht, maar omdat er stof of damp in de lucht hangt is het licht toch diffuus. De vier bewegen traag en mechanisch. Af en toe checkt er één iets door een commando te roepen. “X,” roep de één. “Vast,” roepen één of meerdere anderen. Mensen als apparaten. Moderne dans lijkt het, maar dan niet door dansers maar door toneelspelers.

Een compositie van monotone, soms pijnlijke klanken, die even het ritme van een heftige house bereiken, begeleidt het hele stuk. Het is een stuk over niets. Dialogen zijn er niet. Alleen die commando's en aanmoedigingen bij seks en een enkele korte en lange monoloog. De lange zit vol met verwijzingen naar verwrongen seksuele fantasieën. Als hij afgelopen is begint hij aan het eind weer van voor af aan. Alsof het een voorstelling in de Cineac is; een uit het hoofd geleerde riedel. Een andere monoloog verwijst onder meer naar het meisje bij de kassa die haar teksten inhoudsloos spreekt, zoals opgedragen en met uitsluitend beleefdheidsfrasen. Toch maakt ze “het huisdiertje in mijn lichaam wakker,” zegt de vrouw.

Het is seks en verder leegte. Bijna letterlijk nietszeggend. Er is een gore scene die doet denken aan een verkrachting. Nadat verschillende lijven boven op elkaar hebben liggen beuken, wordt één van de mannen vastgepakt door een man en de vrouw. Hij pijpt – al dan niet gedwongen - haar duim en moet een paar keer kokhalzen. Hij wordt grof in zijn mond gevingerd en tegen zijn achterste gebeukt. Het is afstotend, niet mooi en niet nodig. Aan het eind van de scene wordt de man afgedankt en bloot in een plastic zak gestopt.

Een man die alsof hij een vrouw is door een man en een vrouw wordt misbruikt en mishandeld, het had met meer subtiliteit en inhoud een krachtig gegeven kunnen zijn. Hier maken die halve verandering van geslacht en de handelingen duidelijk wat ik al wist; seksueel geweld is afschuwelijk en verwerpelijk.

Aan het eind is alles weer zoals het was. Zelfs de man uit de plastic zak doet weer mee. Alsof er niets gebeurd is. Veel was er ook niet gebeurd. Veel wijzer ben ik er niet van geworden. En veel plezier heb ik er niet aan beleefd. Maar dat zal de bedoeling wel zijn geweest. Lege platte zwartgalligheid dat was het.

Wilt u een positievere kritiek:
Zonderlinge, extreme performance, door Abke Haring.
Op de site van de Toneelschuur in Haarlem vindt u/jij meer besprekingen.

Hier nog de site van het Vlaamse toneelhuis.

Ik hoor een stem, de schreeuw van een gewond dier’


Ik hoor een stem
De schreeuw van een gewond dier.

Er zijn mensen die de maan beschieten
Er zijn jonge vogels die uit hun nest vallen.

De mens moet wakker geschud worden.
Er moet getuigenis gegeven worden,
Zodat het leven bewaakt kan blijven.


Dit gedicht van de Indonesische dichter Rendra is uitgangspunt voor een poppenspel over de vrijheid van meningsuiting en het opkomen voor armen en verdrukten en tegen misstanden als corruptie. Het is een voorstelling met de kracht van de jaren tachtig. Verteld door twee mensen en vele poppen, waarbij Oom Gong (in het Indonesisch Paman Doblang) de belangrijkste is. Hij is de legendarische Indonesische verhaalfiguur, die door de geschiedenis heen is gebruikt door dalangs (poppenspelers) en schrijvers, om datgene te zeggen dat niemand anders zeggen kan.

Ik zag het in het van Ostade Theater, in het gebouw waar Wijnand Duyvendak werkte bij Bluf! en later bij uitgeverij Ravijn. Waar ik zelf begon bij BONK. Waar mensen woonden die ik nog steeds ken en mensen werken voor wie ik nog schrijf. Ach jeugdsentiment. De jaren tachtig doen er niet meer toe, Wijnand heeft er afstand van genomen en drukkerij de Raddraaier, gevestigd in het hetzelfde pand, geeft geen opruiende teksten meer uit. Toch wierp de voorstelling me terug in de tijd.

Dit poppenspel was niet de jaren tachtig in Nederland. Dit stuk ging om de jaren 1965-1996 in Indonesië. Nee zeggen de makers. Het is nodig dat Oom Gong zijn verhaal weer vertelt. Er worden nog steeds mensen onderdrukt in de wereld, vrijheid van meningsuiting bestaat lang niet overal en er zijn nog steeds veel te veel orang miskin, arme mensen. De kracht van vroeger straalt de voorstelling uit. Een kracht om naar terug te verlangen. Een kracht die betrokken is en geen compromis lijkt te dulden.

De wisselwerking tussen de poppenspelers en poppen is soms vertederend. De spelers kijken naar de poppen alsof ze hun woorden niet zelf spreken, maar voor het eerst horen. De poppen zijn vaak overtuigend alsof het mensen zijn.

Er is een moment dat Oom Gong de gevangenis uitkomt. Hij gaat dan naar een militaire parade, omdat zijn bespelers hem uitnodigen. Hij zegt er niet van te houden.

“Ach kom nou Pak Gong, kijk toch het is een vrolijke parade.”

“Jullie kunnen niet met mijn ogen kijken,”
antwoord Oom Gong.

Ik moest hier denken aan het spandoek met Hidup ABRI! (leve het leger!) aan de gevel van het PDI gebouw van Megawati (juli 1996), waar men niet langer naar de pijpen van Soeharto wilde dansen. Het leger greep een paar dagen later in en vijf mensen uit het partijkantoor werden gedood en 149 gewond afgevoerd. Ik weet zeker dat Oom Gong iets van het spanduk gezegd zou hebben, met de prachtig gedragen stem die hij in de voorstelling krijgt.

De spelers zetten vervolgens een masker op, met het gezicht van een even oude Indonesiër, om wel met de ogen van Gong te kunnen kijken. Het is net of er drie mannen naast elkaar staan. Het verschil tussen pop en mens is geheel verdwenen. Dat is mooi en geënt op een eeuwen lange geschiedenis van Indonesisch poppenspel. Oom Gong kan zijn mond niet houden als hij naar de parade kijkt. ‘Stop Korupsi,” of iets dergelijks scheeuwt hij in het Indonesisch.

Hij wordt opgepakt en in elkaar geslagen. Oom Gong kreunt, jammert en steunt.

Dan komt wat ik de mooiste scène van het stuk vind. “Het is genoeg, ze snappen het nu wel,” zegt de speelster, Jet Smeets, tegen de speler, Ista Bagus Putranto. De boodschap ligt voor de hand: het geweld hoeft niet uitgemolken te worden, niet ingewreven, als je nu nog niet snapt dan snap je het nooit. Toch zou het nog een tip kunnen zijn aan de redacties van veel actualiteiten programma’s.

Hλέκτρα/Elektra tot op de bodem

Over het bezoek aan een leerzame, mooie
en grappige bewerking van een Griekse tragedie.

(21 februari 2010)

Fotobijschrift: Orestes, Pylades and Elektra bij het graf van Agamemnon, vaas ca. 330 v. Chr. (bron)


"Elektra" is een tragedie van de Griekse tragediedichter Sophokles. Het stuk werd geschreven tussen 435 en 410 v.Chr. Dat lees ik op wikipedia. Elders lees ik: "Elektra" is een tragedie van de Griekse tragediedichter Euripides. Het werk werd rond 420 v.Chr. geschreven.

Ik heb geen klassieke opleiding en zou er uit mezelf niet opgekomen zijn na de eerste pagina ook de volgende te zoeken. Dat doe ik door het toneelstuk dat ik net bezocht.

“Gaat u wel vaker naar tragedies?” vraagt de persoon die ons in De Engelenbak naar onze stoeltjes dirigeert.
De vrouw die voor me zit antwoord kort en verbaast: “Ja.”
“U kent het verhaal van Elektra dan zeker ook wel?”
Weer datzelfde “Ja.”
Ik ben blij dat ik daar niet zit. Op dergelijke vragen “nee” antwoorden is niet prettig.
“Schuift u allen een beetje naar het midden!” roept de vrouw nu.

Even later zal de uitvoering van Elektra ad fundum door Theatergroep De Zucht beginnen. “Tot ... wat?” vragen ik en de persoon met wie ik ben aan elkaar. Tijdens de uitvoering blijkt dat ad fundum tot op de bodem betekent.

De vrouw vraagt nog iemand iets over de tragedie. Daarna stelt ze hard vast, zodat iedereen het kan verstaan, dat Elektra eigenlijk een simpel verhaal is; het is een verhaal over een vrouw (Elektra) die wacht op haar broer (Orestes) om haar moeder (Klytaimnestra) en minnaar (Aigisthos) te vermoorden, omdat die samen haar vader (Agamemnon) hebben vermoord. Er dwarrelen nog wat mensen en moorden omheen.

Zo we weten waar het over gaat en dat zij die zo eigenwijs onze plaatsen aanwees een rol speelt in het stuk. Een belangrijke rol zelfs. De vrouw met het opvallende decolleté is theaterrecensente met veel ambities en een grote geldingsdrang. Omdat de avond ervoor gebleken was dat het publiek lang niet alles snapte van de tragedie is besloten een avond met een nabeschouwing te doen. Onder haar leiding en met de spelers.

De eerste vier die opdraven zijn de bijrollen: Chrysothemis (eveneens dochter van Agamemom), Paidagogos (hier een Russische die het kindermeisje van Orestes speelt), Pylades (de boezemvriend van Orestes) en het Koor van Myceense vrouwen. Door hun ijver en inzet gaan zij een hoofdrol spelen in Elektra Ad Fundum.

Niet de sterren die later komen, Elektra, Orestes, Klytaimnestra en Aigisthos, zijn in deze bewerking de belangrijkste spelers. Allereerst omdat de bijrollen zelf hun belangrijke rol benadrukken, maar ook omdat Elektra hier een van zichzelf overtuigde diva met sterallures is. Het kindermeisje heeft de grootste rol en stijgt door het prachtige acteren, het bijtende venijn en de diepte van gevoelens, tot de echte ster van het stuk.

In het derde deel worden de bij elkaar passende personen samengevoegd tot één persoon en spelen in het kort de tragedie. Ze stellen daarbij een aantal kwesties, zoals moedermoord aan de orde. De drie personen zijn gegroepeerd rond Elekctra, Orestes en Klytaimnestra. De drie spreken en murmelen als uit een mond.

Voor mij was het een prachtige voorstelling. Snel ben ik door de Griekse mythologie gevoerd. Dat de kinderen van Agamemnon nazaten zijn van Tantalus en net als hij lijden onder de woede en pesterijen van de goden wordt me bijgebracht. Ik hoor over verschillende visies op de rol van de tragedie en het theater in het algemeen. Een stuk over eerwraak, maar ook over liefde en over de positie van de vrouw en de verschillende rollen van mannen. Ik heb kunnen lachen. Herkenbare mensen gezien. Mooie zinnen gehoord. En ik ga dit stuk lezen als we het uitgeleende boek Griekse Mythen van Imme Dros weer terug in huis hebben. Ik weet nu ook dat er verschillende versies van bestaan.

Wie zich kan verheugen en niet onder tegenslag lijdt is een gelukkig mens


(21 februari 2010)

Wachten op Godot

De telefoon is de hele tijd in gesprek. Als hij uiteindelijk wel reageert, krijg ik een melding dat pas om drie uur weer opgenomen zal worden. “U kunt ook kaartjes bespreken op onze website: theaterfrascati.nl”. Dat had ik al geprobeerd en dat was niet mogelijk. Daarvoor was ik blijkbaar te laat.

’s Middags doe ik andere dingen. Pas om zes uur heb ik tijd weer naar het kaartjesbespreekbureau te bellen. Voordat ik iemand aan de lijn krijg vertelt een antwoordapparaat me al dat de kaartjes uitverkocht zijn. Daarna komt er een reeks huishoudelijke mededelingen, een cooling down voor opgewonden mensen. Dan pas krijg ik een levend mens. “Ik weet al dat …,” zo begin ik. En met “… maar wat nu?” vervolg ik. “Komt u om half acht naar de kassa van Frascati in de Nes,” is het advies.

Ik moet nog koken (rouweandijviestampot met paranoten), nog eten en nog fietsen. Om vijf voor halfacht zet ik toch mijn fiets neer en moet iemand die dat sneller kan voorlaten. Er staan al ruim twintig mensen te wachten. En er komen er steeds meer bij, daar voor dat zware ijzeren hek. We kunnen binnen drie mensen zien die bij de kassa staan te rommelen. “Het stuk is al begonnen,” stelt een wachtende. Wij zijn de spelers. Mensen fietsten vlak achter ons langs. Als voetbalsupporters werden we na half acht binnen gelaten.

De man achter de kassa adviseert ongeveer in volgorde van aankomst te gaan staan. We krijgen allemaal een briefje met een volgnummer. Net als bij de slager. De oudere vrouw die sneller dan ik haar fiets op slot kan zetten, schuift nog een paar plaatsen naar voren op, zodat ze meer kans heeft. “Komt u om tien voor half negen terug. Dan worden de niet afgehaalde kaartjes verdeeld. Om half negen tellen we dan nog de lege stoelen en die worden dan ook nog verdeeld.” Het lijkt verdorrie wel of het over vliegtuigstoelen gaat.

In de Brakke Grond drink ik tot die tijd een Orval en lees de NRC-Next van de dag ervoor. Als ik terug kom zie ik de vrouw al staan waarmee ik afgesproken heb. Ik leg haar de procedure uit en ze kijkt me aan en lijkt zich even af te vragen wat ze er van vindt. Ik geniet. Het gaat hier om kaartjes voor een lang en serieus toneelstuk. Het is alsof het om een popconcert gaat.

Naast me staan twee dames in theaterlak, -poeder en -dress, die net te laat waren om hun kaartjes op te halen en nu ook op de wachtlijst staan. Ze mopperen dat het een vertoning is. Heel voorzichtig zeg ik: “Ja je zou bijna gaan denken dat het er bij hoort.” In zo’n rij kan je het beter gezellig houden.

Het is tien voor half negen. “Nummer 312?” roept de man. Daar gaan twee kaartjes. “Nummer 317?” Die zijn met zijn zessen. Ik heb nummer 322. De niet afgehaalde kaarten zijn op. Nu weer wachten op het stoelen tellen. “Nummer 319?” De eerste twee lege stoelen zijn bezet. Bij nummer 321 wordt overlegd. Wat ze zeggen hoor ik niet. Het is penibel, dat begrijp ik. 321 Krijgt zijn kaartjes. Ja wij zullen het ook wel redden. Inderdaad het lukt. Ik kijk niet eens meer om of er nog meer naar binnen mogen.

We zitten in een afgeladen zaal. Voor driekwart gevuld met 25-. We kunnen naar ‘Wachten op Godot’ door Toneelgroep Oostpool gaan kijken. Wat een mooi toneelstuk is dat en de uitvoering is zoals ik denk dat het moet. Het was het wachten waard. Bij deze korte bespreking wil ik het houden. Lees maar een recensie van een echte recensent als u/jij echt benieuwd bent.

Wachten op Godot from wiel on Vimeo.