Fluitist Kazunari Abe loopt steeds met zijn bamboefluit het toneel op. Als hij blaast dan gebeurt er wat. Het is alsof hij het verhaal van Puz/zle met zijn ijle klanken bij elkaar houdt. Puzz/zle is een choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui.
Het was een feestje niet alleen het kijken en luisteren. De voorstelling kreeg ik kado voor mijn verjaardag. Het was ook een feestje omdat het enorm mooi en ontroerend was en de narigheid niet verdoezeld werd. Als Kuzunari op zijn fluit blaast, tuimelt een man in een put. De overige tien dansers gooien met kracht stenen naar hem. Je kan niet anders dan afkeer hebben van een steniging. Puz/zle blijft daar niet hangen. De man komt – meer dood dan levend – zijn put uit. Hij legt met alles wat in hem is de stenen netjes op een rij en betrekt de andere dansers. Die nemen in iedere hand een steen en vormen samen een vloeiend lijnenspel. Even later slaan ze de stenen op de maat van de muziek tegen elkaar. Verbinden daar is het Larbi om te doen. Dat blijkt hier, maar ook elders in de voorstelling.
Kronkelende slangen
Voor de uitvoering gaf een musicoloog en danskenner uitleg over het stuk. Hij had het over folkloristische elementen in de muziek. Misschien is het daardoor dat ik in de tegen elkaar slaande stenen stampende klompen hoor. De deskundige liet de muziek zien door zijn armen als slangen om elkaar te laten kronkelen in een horizontale beweging. Deze beweging kwam ook herhaaldelijk terug in die van de dansers op de muziek van fluit en zang. Die zang kwam van zes mannen van de Corsicaanse polyfone zanggroep A Filetta en de Libanese zangeres Fadia Tomb el-Hage. De beweging van de muziek contrasteerde volgens de musicoloog met de hardheid van de steen die een centrale rol speelde in de voorstelling.
Steengroeve
Het verhaal is even groots als simpel. De oorsprong ligt in een steengroeve. Waar zijn alle stenen gebleven? Wat is er mee gemaakt? Kunnen we ze terug puzzelen? Met die stenen is gestenigd, is een Griekse tempel gebouwd, een stad, gevangenis, kerk, moskee of museum als je wilt. Het bouwen geeft structuur aan de voorstelling. De groep danst het gebouw in en weer uit elkaar. Vooral dat laatste is vaak spectaculair als een meer dan manshoog stenen gebouw instort of omver wordt geworpen met daarop of onder nog een danser. Uit de stenen zijn ook beelden gehouwen, wat tot de meest komische scenes leidt als dansers als beelden worden verbeiteld en steen spuwen en weer inslikken. Dansers, steenhouwers en beelden gaan, kortom, in elkaar over.
Binnen die structuur van bouwen en breken gaat het over het leven. Het leven van mensen uitgebeeld in indringende solo's of duetten omgeven door de prachtige zang, de fluit en soms Japans slagwerk. Het gaat ook over het leven in de meest elementaire vorm. De bewegingen van cellen en chromosomen die we kennen van filmpjes. Dat laatste vertelde Nienke Reehorst na afloop in een korte toelichting op de voorstelling. Nienke heeft artistiek een grote inbreng in de choreografie en voorstelling. De van pijn vertrokken bewegingen die ik in het begin had gezien, waren dus bedoeld als uitbeelding van het leven op microniveau. Fout gezien? Nee. Abstractie is de dans eigen en dat hij multi-interpretabel is, geeft hem juist kracht.
Geweld
Kort voor het einde van de anderhalf uur durende voorstelling stond de dansgroep grafitti te spuiten op een muur. Er was sprake van een gemilitariseerde situatie; op de tekening verschenen helikopters en geschut. Schoten (door Japans slagwerk) klonken plotseling. De jongeren met hun spuitbusjes vielen een voor een neer. De op de grond liggende lichamen deden denken aan een beeld uit de Eerste Wereldoorlog. Maar door de muur en de jongeren kon ik ook niet om Israël en de Palestijnen heen. Narigheid werd ook hier bewust naar binnen gehaald en van commentaar voorzien.
Corsica
Grafitti en ook de breekdance zijn een volwaardig onderdeel binnen de voorstelling. Een duet tussen een man en een vrouw speelt zich af als een luchtgevecht uit een Chinese vechtfilm. Man en vrouw bevechten elkaar als zijn ze met touwen gebonden. Een ander ziet er mogelijk een gevecht tussen Harry Potter en Voldemort in. De vrouw die voor me zat en die ik later in de trein naar huis spreek, zag beelden uit een fantasy kindertekenfilm. Jeugdcultuur is volledig opgenomen in Lardi's stuk.
De vrouw die ik spreek, is een Corsica kenner. Ze geeft me de derde uitleg van de avond en maakt me enthousiast voor het eiland en zijn tradities. Zelf studeert ze Corsicaans. Ze weet te vertellen dat de fluitist optrad tijdens een jaarlijks muziekfestival op het eiland en zo ook voor deze opvoering is gevonden. Ze raadt me aan naar een voorstelling de Waalse kerk te gaan op 2 maart voor Cunfraterna di a Pieve di a Serra gezongen door Canti Sacri.
Versnipperd
Klaar met schrijven zoek ik bewegende beelden als illustratie bij dit blog. Dan kom het filmpje (te vinden op site onder link) weer boven waardoor ik naar Puz/zle wilde gaan. Larbi zegt daarin dat de voorstelling gaat over het puzzelen met de verschillende elementen in de voorstelling (zang, dans, theater, publiek) en de losse stukjes uit het leven en het gebrek aan verbanden tussen mensen. Het lijkt alsof alles versnipperd is en hij wil dit heel maken. Larbi: “Zolang je de puzzel wil blijven uitleggen, ben ik tevreden. Kunst heeft niet alle antwoorden, maar houdt je wel alert. Leven is zoeken en niet alleen weten.” Het is een overdonderend en geslaagd project.
Posts tonen met het label theater. Alle posts tonen
Posts tonen met het label theater. Alle posts tonen
zondag 24 februari 2013
woensdag 2 februari 2011
Ik hoor een stem, de schreeuw van een gewond dier’
Ik hoor een stem
De schreeuw van een gewond dier.
Er zijn mensen die de maan beschieten
Er zijn jonge vogels die uit hun nest vallen.
De mens moet wakker geschud worden.
Er moet getuigenis gegeven worden,
Zodat het leven bewaakt kan blijven.
Dit gedicht van de Indonesische dichter Rendra is uitgangspunt voor een poppenspel over de vrijheid van meningsuiting en het opkomen voor armen en verdrukten en tegen misstanden als corruptie. Het is een voorstelling met de kracht van de jaren tachtig. Verteld door twee mensen en vele poppen, waarbij Oom Gong (in het Indonesisch Paman Doblang) de belangrijkste is. Hij is de legendarische Indonesische verhaalfiguur, die door de geschiedenis heen is gebruikt door dalangs (poppenspelers) en schrijvers, om datgene te zeggen dat niemand anders zeggen kan.
Ik zag het in het van Ostade Theater, in het gebouw waar Wijnand Duyvendak werkte bij Bluf! en later bij uitgeverij Ravijn. Waar ik zelf begon bij BONK. Waar mensen woonden die ik nog steeds ken en mensen werken voor wie ik nog schrijf. Ach jeugdsentiment. De jaren tachtig doen er niet meer toe, Wijnand heeft er afstand van genomen en drukkerij de Raddraaier, gevestigd in het hetzelfde pand, geeft geen opruiende teksten meer uit. Toch wierp de voorstelling me terug in de tijd.
Dit poppenspel was niet de jaren tachtig in Nederland. Dit stuk ging om de jaren 1965-1996 in Indonesië. Nee zeggen de makers. Het is nodig dat Oom Gong zijn verhaal weer vertelt. Er worden nog steeds mensen onderdrukt in de wereld, vrijheid van meningsuiting bestaat lang niet overal en er zijn nog steeds veel te veel orang miskin, arme mensen. De kracht van vroeger straalt de voorstelling uit. Een kracht om naar terug te verlangen. Een kracht die betrokken is en geen compromis lijkt te dulden.
De wisselwerking tussen de poppenspelers en poppen is soms vertederend. De spelers kijken naar de poppen alsof ze hun woorden niet zelf spreken, maar voor het eerst horen. De poppen zijn vaak overtuigend alsof het mensen zijn.
Er is een moment dat Oom Gong de gevangenis uitkomt. Hij gaat dan naar een militaire parade, omdat zijn bespelers hem uitnodigen. Hij zegt er niet van te houden.
“Ach kom nou Pak Gong, kijk toch het is een vrolijke parade.”
“Jullie kunnen niet met mijn ogen kijken,” antwoord Oom Gong.
Ik moest hier denken aan het spandoek met Hidup ABRI! (leve het leger!) aan de gevel van het PDI gebouw van Megawati (juli 1996), waar men niet langer naar de pijpen van Soeharto wilde dansen. Het leger greep een paar dagen later in en vijf mensen uit het partijkantoor werden gedood en 149 gewond afgevoerd. Ik weet zeker dat Oom Gong iets van het spanduk gezegd zou hebben, met de prachtig gedragen stem die hij in de voorstelling krijgt.
De spelers zetten vervolgens een masker op, met het gezicht van een even oude Indonesiër, om wel met de ogen van Gong te kunnen kijken. Het is net of er drie mannen naast elkaar staan. Het verschil tussen pop en mens is geheel verdwenen. Dat is mooi en geënt op een eeuwen lange geschiedenis van Indonesisch poppenspel. Oom Gong kan zijn mond niet houden als hij naar de parade kijkt. ‘Stop Korupsi,” of iets dergelijks scheeuwt hij in het Indonesisch.
Hij wordt opgepakt en in elkaar geslagen. Oom Gong kreunt, jammert en steunt.
Dan komt wat ik de mooiste scène van het stuk vind. “Het is genoeg, ze snappen het nu wel,” zegt de speelster, Jet Smeets, tegen de speler, Ista Bagus Putranto. De boodschap ligt voor de hand: het geweld hoeft niet uitgemolken te worden, niet ingewreven, als je nu nog niet snapt dan snap je het nooit. Toch zou het nog een tip kunnen zijn aan de redacties van veel actualiteiten programma’s.
Abonneren op:
Posts (Atom)

