Het was laat toen ik weg ging. Er liep nogal wat mis. De tijd tussen misgaan en vertrek gebruikte ik daarom maar voor wat kleine klusjes. Die moeten ook af en het heeft weinig zin om te treuren als het niet gaat als gewenst. Tijd dat zou ook het thema zijn waarover ik mezelf verplichtte vandaag op de fiets na te denken.
Allereerst was ik er laat. Pas om drie uur. Je kan er zelfs als je gebruik maakt van het dalurentarfief al om kwart over elf zijn. De laatste boot gaat al om negen uur terug. Gaat dat lukken een rondje Texel in zes uur? Het bleek geen enkel probleem. Naar De Cocksdorp werd ik geblazen. De 4 ½ uur die ik over had voor de terugreis waren genoeg om veilig de boot te bereiken, ondanks de tegenwind en veel rusten.
Bij de Slufter stond ik onderaan de trap. Maakte een foto. Ik keek naar boven en vond het te zwaar om het duin over te gaan. Even maar, toen zette ik mijn fiets weg en klom ik toch naar de plek met bankjes en vergezicht. Tussen de “Hoe wil je erop's” und “Ja genau's” kijk ik over de prachtige vlakte uit. Een Duitser achter me vertelt beeldend hoe wind en getij de Slufter vol water kunnen zetten. Ik hoor leeuwerikken en zie in de verte het duin vanwaar ik de foto heb gemaakt die nu in de banner van dit blog zit.
Vlak voordat ik de trap bereik, bedenk ik me op mijn fiets dat ik in de trein al opschreef hoe ik mijn energie zo moet inzetten dat ik het meeste presteer. Er staat inderdaad een schema op papier. Maar dat is meer een begin. Ik blijf daar aldoor steken. Dat ik dacht er al te zijn was de gelukzaligheid die me overkomt als ik fiets. Het is niet de werkelijkheid. Ik wil graag werken. Liefst een uur of 36 per week. Maar hoe doe je dat als de energie vaak na 3 uur op al op is.
Geen schema maar een lijstje deze keer:
minder drinken
geen zoetigheid
(vlak na het eten daarvan stort ik in.),
vroeger naar bed
betere planning
(hmmmm, planning wat is dat?),
uurtje na de lunch rusten
(dat werkt. Mag ook minder zijn.), en
een strak schema volgen
(zal er niemand mee vermoeien.).
Eén keer in de week zit ik op de fiets. Waarom kan ik daarvan genieten en ben toch niet blij, vraag ik mezelf af als ik op bed al mijn tweede middagrust neem. Wil je dan blij zijn? is de logische vervolgvraag. Het is het begin van een gesprek met mezelf. Het woordje blij heeft een hoog EO-gehalte. Nee. Tevreden dan? schiet het wat gepikeerd door mijn hoofd. Als je niet tevreden bent, wat wil je dan van jezelf? Verdorrie ik lijk mijn eigen officier van justitie wel. Een OM in mijn hoofd. Het is nodig want ook met het eenmaal fietsen in de week lukt het niet meer mezelf op de been te houden.
Wil ik dan teveel? Vraag ik meer dan ik kan? Dan kan je wel effiënter met je tijd omgaan, maar dat zal het niet oplossen. Vanmiddag gooide ik handdoek, zakdoek en handschoen door elkaar en voelde me doodmoe. Ik wilde eerst iemand de handdoek op laten pakken. Bijna een freudiaanse verschrijving. Daarna werd ik gecorrigeerd, maar korte tijd later was ik dat al weer vergeten en werd het zakdoek. Moe word ik soms van mezelf.
Soms wil ik wel gewoon blij zijn en niet alleen op de fiets. Dat drijft me niet gelijk in de armen van Andries Knevel.
(later kom ik op dit blog terug)
