Posts tonen met het label texels winterbier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label texels winterbier. Alle posts tonen

zondag 10 juli 2011

Dagje Texel












Er zijn meer plannen dan dat er tijd is. Ik wilde al tijden op Texel fietsen. Het is niet zo ver reizen van Amsterdam. Ruim een uur met de trein. Een stukje door Den Helder. De boot over het Marsdiep. En dan ben je buiten op het eiland van Slufter, Oudeschild, Mokbaai, Den Hoorn, uitgestrekte stranden en een polder die andere Waddeneilanden niet hebben. Toch is het in Amsterdam niet gebruikelijk een dagje naar Texel te gaan. Groningers weten wat dat betreft veel meer gebruik te maken van Schiermonnikoog.

Het was laat toen ik weg ging. Er liep nogal wat mis. De tijd tussen misgaan en vertrek gebruikte ik daarom maar voor wat kleine klusjes. Die moeten ook af en het heeft weinig zin om te treuren als het niet gaat als gewenst. Tijd dat zou ook het thema zijn waarover ik mezelf verplichtte vandaag op de fiets na te denken.

Allereerst was ik er laat. Pas om drie uur. Je kan er zelfs als je gebruik maakt van het dalurentarfief al om kwart over elf zijn. De laatste boot gaat al om negen uur terug. Gaat dat lukken een rondje Texel in zes uur? Het bleek geen enkel probleem. Naar De Cocksdorp werd ik geblazen. De 4 ½ uur die ik over had voor de terugreis waren genoeg om veilig de boot te bereiken, ondanks de tegenwind en veel rusten.

Bij de Slufter stond ik onderaan de trap. Maakte een foto. Ik keek naar boven en vond het te zwaar om het duin over te gaan. Even maar, toen zette ik mijn fiets weg en klom ik toch naar de plek met bankjes en vergezicht. Tussen de “Hoe wil je erop's” und “Ja genau's” kijk ik over de prachtige vlakte uit. Een Duitser achter me vertelt beeldend hoe wind en getij de Slufter vol water kunnen zetten. Ik hoor leeuwerikken en zie in de verte het duin vanwaar ik de foto heb gemaakt die nu in de banner van dit blog zit.

Vlak voordat ik de trap bereik, bedenk ik me op mijn fiets dat ik in de trein al opschreef hoe ik mijn energie zo moet inzetten dat ik het meeste presteer. Er staat inderdaad een schema op papier. Maar dat is meer een begin. Ik blijf daar aldoor steken. Dat ik dacht er al te zijn was de gelukzaligheid die me overkomt als ik fiets. Het is niet de werkelijkheid. Ik wil graag werken. Liefst een uur of 36 per week. Maar hoe doe je dat als de energie vaak na 3 uur op al op is.

Geen schema maar een lijstje deze keer:
minder drinken
geen zoetigheid
(vlak na het eten daarvan stort ik in.),
vroeger naar bed
betere planning
(hmmmm, planning wat is dat?),
uurtje na de lunch rusten
(dat werkt. Mag ook minder zijn.), en
een strak schema volgen
(zal er niemand mee vermoeien.).

Eén keer in de week zit ik op de fiets. Waarom kan ik daarvan genieten en ben toch niet blij, vraag ik mezelf af als ik op bed al mijn tweede middagrust neem. Wil je dan blij zijn? is de logische vervolgvraag. Het is het begin van een gesprek met mezelf. Het woordje blij heeft een hoog EO-gehalte. Nee. Tevreden dan? schiet het wat gepikeerd door mijn hoofd. Als je niet tevreden bent, wat wil je dan van jezelf? Verdorrie ik lijk mijn eigen officier van justitie wel. Een OM in mijn hoofd. Het is nodig want ook met het eenmaal fietsen in de week lukt het niet meer mezelf op de been te houden.

Wil ik dan teveel? Vraag ik meer dan ik kan? Dan kan je wel effiënter met je tijd omgaan, maar dat zal het niet oplossen. Vanmiddag gooide ik handdoek, zakdoek en handschoen door elkaar en voelde me doodmoe. Ik wilde eerst iemand de handdoek op laten pakken. Bijna een freudiaanse verschrijving. Daarna werd ik gecorrigeerd, maar korte tijd later was ik dat al weer vergeten en werd het zakdoek. Moe word ik soms van mezelf.

Soms wil ik wel gewoon blij zijn en niet alleen op de fiets. Dat drijft me niet gelijk in de armen van Andries Knevel.

(later kom ik op dit blog terug)

zondag 30 januari 2011

Verliefd en in de 70


Voor ’t eerst sinds lange tijd weer een echte fietstocht gemaakt met de zon het grootste deel ervan op mijn bol. Net op weg was de vreugde over het fietsen al aan het tollen door mijn hoofd. Bij Egmond aan de Hoef zaten twee korte gedichtjes in mijn hoofd om die gedachten vast te grijpen. Ook maakte ik zoveel foto’s dat al bij de boet in de duinen van Castricum de accu van mijn telefoon leeg was en een foto van het duinmeer, dat daar in de zon lag, niet meer wilde.

Het bruiste. De energie barstte uit mijn lijf. Manisch. Dat woord schoot opeens door me heen. Misschien niet echt, maar wel een lichte vorm? Of niet? Na maanden van somberheid, leek alles weer los te komen: gedachten en de wil om iets te doen en te genieten. Extatisch dat is het woord. Het tintelde door mijn hoofd. Het voelde als koorts in mijn lijf. Het overviel me. Het was niet naar of beangstigend, maar het was wel veel. Is er geen manier om het te bewaren en op te halen als het nodig is.

In Callantsoog, bijna in Den Helder, nam ik in een strandpaviljoen een tosti en een Texels winterbier (aanrader). Een ouder echtpaar nodigde me bij hen aan tafel. Een tafel aan 't raam, zodat de bulderende zee dichterbij was en mooier om naar te kijken. Ze waren verliefd en tegen de zeventig. Dat laatste schatte ik. “In de zeventig,” zeiden ze, toen ik er naar vroeg.

De man had op het eerste gezicht een groot en stevig lijf, als van een bootsman. Hij was afgeleefd op de binnenvaart, als vrachtwagenchauffeur en als jongen van zestien à zeventien door het schoonmaken van scheepsruimen. Dat laatste zorgde ervoor dat hij nu bijna geen adem kon halen, volgens zijn vrouw. De laatste specialiste die hij bezocht zei: "Zegt u maar wat er nog wel werkt." Hij slikte morfine tabletten en grote hoeveelheden Ibobrufen tot hij een zombie werd. Dat paste hem niet. Blijven lachen was zijn devies. “Een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.” Hij kende zijn tegeltjeswijsheid.

Het werd een bijzonder gesprek over vrijheid en onvrijheid in het geloof, de reactie van de omgeving als je het niet precies zo doet als het hoort, volwassenen doop, belijdenis, gescheiden financiën in een nieuwe relatie en leven met lichamelijke narigheid en net niet teveel de Heer. Ik maakte duidelijk dat de heer voor mij niet telde, maar boezemde blijkbaar voldoende vertrouwen in om toch tegen me te praten over geluk en moeilijke keuzes in het leven. Ook op kerkelijk terrein. Ze woonden nu gehuwd samen in Putte, waar de vrouw als weduwe al woonde, voordat ze hem ontmoette.

“Mooi daar,” zei ik.
“Erg veel bomen,” vond hij.

“Put de mooie dingen uit het verleden,” zei de man. Hij haalde een tocht op die hij vroeger wel eens maakte, van Rotterdam (waar hij toen nog woonde) naar Scheveningen. Daar nam hij dan een broodje zalm om vervolgens via het Westland naar Hoek van Holland te gaan voor een patatje bij een goed adresje. Gegeten en genoten als hij thuiskwam.

Hij lachte de ziekte uit die hem uit zijn slaap hield en spotte ermee. Om het vol te houden is er humor, indien nodig van de galg, genieten van wat je nog kan en hebt, zelfspot, omkijken naar de mooie dingen en relativeringsvermogen. Dat maakt dat je geen sombermans wordt. Dat relativeren voegde ik toe, maar pas tijdens het schrijven snap ik dat dit woord niet overkwam in het gesprek.

De vrouw deed zichzelf tekort door haar geluk van God gegeven te zien. Ze had er zelf aan gewerkt en er voor gekozen. Ik zag lichtjes in haar ogen.

Het was een mooie dag.

27 februari 2010